Openingsrede door Ton van Reen (vervolg)
Lezing, vervolg
- Openingsrede van Ton van Reen uitgesproken in Grafisch Atelier 'de Franse Republiek' Het werk van Jos is niet alleen beeldend, het is vooral literair. Elke prent is een verhaal met vele nevenverhalen. Elke prent is een raamvertelling over de wereld. In elke prent zijn vele lagen te ontdekken, die elk weer andere verhalen oproepen. Het zijn geen mooie verhalen. Het is de werkelijkheid van de literatuur. Wie veel leest weet dat echte literatuur met inspanning geconsumeerd moet worden. Echte literatuur gaat vooral over de relatie tussen het leven en de dood. In echte literatuur wordt veel gestorven. In echte literatuur, de boeken die verhalen over het lot van de mensen, is het vaak een puinzooi. Kaïn en Abel, Sodom en Gomorra, Auschwitz en Srebrenica. In echte literatuur komt geen humor voor. Literatuur is er niet om te lachen. Om te lachen is er de lectuur, de schrijverslulkoek van het Toon Kortooms- en Jules Deelder-niveau, de Playboy en de spreuken op rollen toiletpapier. Jos schrijft met zijn collages literatuur, omdat hij dezelfde toon treft alsLouis Paul Boon, Isaac Bashevis Singer, Afrikaanse dichters, en Zuid-Amerikaanse prozaschrijvers. De absurdistische toon in de boeken van Marquez, klinkt door in de herplakte, herschikte, opnieuw geordende wanorde van onze, door Jos verbeelde, wereld. (Collage-portret van Ton van Reen) Eigenlijk is Jos een romanticus: hij wil dat de mens goed is, een mens die van de ander houdt en voor de ander zorgt, in plaats van dat de ene mens de ander afmaakt of uitbuit. Dat romantische uit zich ook in zijn kleuren: warme kleuren, maar helaas is het warme rood in zijn werk vaak de kleur van bloed, en is het groen vaak het gifgroen van de haat. Vaak zijn de zachtste ogen de ogen van kinderen op het slagveld of van kinderen die bijna dood zijn door honger, kinderen die worden gered door een helpende hoer uit de Playboy, of wier ziel wordt gered met het laatste sacrament van de stervenden door een prelaat van de Rooms Katholieke Kerk. Jos ziet onze maatschappij als een samenzwering tegen de mens. Jos is bewogen. Bewogenheid met onze wereld en deernis over de uitgekotsten houdt hem gaande. Hij verwoordt het in zijn felle analyses over de wereld, hij vertelt het in zijn collages. De manier waarop hij werkt, de manier waarop hij zijn collages maakt, komt door zijn levenslange papierziekte. Jos is verslaafd aan papier. Aan papier als gebruiksmateriaal, aan papier als drager van de boodschap. Hij kent alle facetten van papier. Hij is graficus, vormgever, letterzetter, boekdrukker, boekbinder, papier- en enveloppenmaker, papierkleurder, eigenbeheeruitgever. Door zijn levenslange omgang met papier kan het niet meer anders dan dat het papier dat door zijn handen glijdt, een ander leven gaat leiden, verknipt en verpuzzeld wordt en een boodschap uit gaat dragen. Als kunstenaar rafelt hij alle foto's uit elkaar, vormt hij duizenden fragmenten uit de Playboy, Osservatora Romana, Esquire, National Geographic, Nieuwe Revue, wetenschappelijke tijdschriften over fotografie, anatomie en sterrenkunde, tot nieuwe platen die het verband aantonen tussen de Paus en de Chileense dictator Pinochet, Marlboro en kankerdood door nicotine, wereldwijde aanslagen bedacht in het brein van de kapitalistische internationale, verbroedering tussen de reclamejongens van coca-cola en hongerend Afrika. Jos Deenen doet een beroep op ons geweten. En juist dat maakt hem zo sarcastisch. Hij weet dat wij, de anderen, ook cynisch zijn. Hij weet dat wij weten dat hij gelijk heeft, maar dat we na zijn gelijk te erkennen gewoon doorleven in deze wereld die armen armer maakt, waarin steeds weer nieuwere en gemenere wapens worden uitgeprobeerd op mensen met honger. Hij weet dat we ons geweten afkopen met een bedrag dat we storten op de girorekening voor hongerende en stervende kinderen. Hij weet dat wij murw zijn van de boodschappen over hoe het anders moet. Hij weet dat we allemaal die ene zin van Louis Paul Boon gelezen hebben: 'Schop de mensen tot ze een geweten krijgen'. Kunstenaars horen guerillastrijders te zijn. Ze horen de mensen om de oren te slaan met hun teksten en tekeningen, met hun beelden, films en foto's, met hun verhalen en gedichten, met hun collages en installaties, met hun schilderijen en met alles wat ze hebben. Tot de wereld een geweten heeft.